De mannelijke instelling verandert je BMI niet
De algemene BMI-referenties van de WHO gelden voor vrouwen en mannen. De calculator gebruikt daarom geen aparte tabel voor mannen. Als je lengte en gewicht gelijk blijven, verandert ook je BMI niet wanneer je de instelling voor geslacht wijzigt.
BMI maakt geen onderscheid tussen vetmassa en vetvrije massa. De AGA wijst op de beperkte bruikbaarheid bij sporters. Ook het Voedingscentrum legt uit dat krachtsporters een hogere BMI kunnen hebben zonder een hoge vetmassa. Een hogere BMI betekent dus niet automatisch een hoger vetpercentage. Omgekeerd zegt een waarde binnen het referentiebereik niets over een specifieke lichaamssamenstelling.
Hoe telt het geslacht mee bij de vetschatting?
De formule van Deurenberg et al. gebruikt BMI, leeftijd en geslacht. Voor mannen trekt de formule een geslachtsafhankelijke term af. Bij dezelfde BMI en leeftijd is de schatting daardoor lager dan bij de vrouwelijke instelling.
De gepubliceerde schattingsfout van de BMI-methode is ongeveer 4 procentpunten. Dat zegt iets over de nauwkeurigheid van het model en is geen gegarandeerd interval voor je eigen resultaat. Deze foutmarge geldt ook niet voor de aanvullende Navy-methode.
Hier is de mannelijke instelling alvast geselecteerd. bmiatlas berekent de aanvullende waarden pas als je een geldige leeftijd van 18 jaar of ouder invult. Onder 18 jaar toont de website geen vetschatting en geen indeling volgens de volwassenencategorieën. Deze leeftijdsgrens is een regel van de calculator.
Bij de mannelijke instelling gebruikt de Navy-methode je halsomtrek, buikomvang en lengte. Volg de meethulp in de calculator, vooral het meetpunt ter hoogte van je navel. Voor de verhouding tussen middelomtrek en lengte gebruikt het WHO-protocol juist het midden tussen de onderste rib en de bovenkant van het heupbot. De metingen zijn dus niet zonder meer uitwisselbaar. De pagina over vetpercentage legt de methoden verder uit.
Referentiepunten voor de middelomtrek bij mannen
Tabel A1 van het rapport van de WHO-consultatie uit 2008, gepubliceerd in 2011, noemt voor mannen meer dan 94 cm en meer dan 102 cm als referentiepunten voor respectievelijk een verhoogd en een sterk verhoogd risico op metabole complicaties.
Ze zijn gebaseerd op Europese referentiepopulaties, die het rapport als Kaukasisch aanduidt. Het rapport legt uit dat deze voorbeelden geen universele WHO-aanbevelingen zijn. Ze zeggen ook niet of een bepaalde persoon een aandoening heeft.
Gebruik voor het WHO-protocol het meetpunt tussen de onderste rib en de bovenkant van het heupbot. Neem de buikomvang uit de Navy-methode dus niet zonder meer over voor die meting.
Resultaten vergelijken zonder er een doel van te maken
- Controleer eerst je leeftijd, de geslachtsinstelling en de eenheden.
- Lees de vetpercentages als schattingen met beperkingen.
- Vergelijk omtrekmetingen alleen als je dezelfde meetmethode gebruikt.
- Bespreek vragen over spiermassa en vetverdeling met je huisarts.
Afhankelijk van je leeftijd kunnen andere referenties nodig zijn. De algemene BMI-calculator is het startpunt voor een berekening met je lengte en gewicht.